zaterdag, oktober 26, 2013

Twee recensies Dolhuis

Ruim een jaar na het verschijnen van mijn derde dichtbundel Dolhuis verschenen er de afgelopen weken plots twee recensies. De eerste recensie zou je een essay kunnen noemen en is te lezen in het laatste nummer van DWB, de tweede recensie stond in het september nummer van De Leeswolf:


LUCAS HIRSCH Dolhuis

Na Familie gebiedt (2006) en Tastzin (2009) publiceerde De Arbei- derspers in 2012 de derde bundel van Lucas Hirsch, Dolhuis: Natura Naturata. In de vijftiende eeuw werd de term ‘dolhuis’ voor het eerst gebruikt om wat nu een psychiatrische instelling heet aan te duiden. Een dolhuis was echter niet enkel bedoeld als opvangplaats voor geesteszieken. Alle personen met omgangsvormen die afweken van wat gangbaar of wenselijk was, werden er opgesloten en op die manier ook afgesneden van de maatschappij. ‘De wereld als gekken- huis of poëzie als het werk van enkele gekken? ‘ is de vraag die deze bundel meteen lijkt op te roepen. Dat blijkt ook bijvoorbeeld uit het tweeledige gedicht ‘Nr. 13’, waarvan hieronder het eerste deel wordt geciteerd:

Ik ben tijdens de ochtendspits
met mijn blote pik in mijn hand
de trein in gestapt

Er was een vrouw die heel hard
in haar telefoon praatte
Er was een man die uit zijn neus at
Er was een jongen die zijn mobiel
als boombox liet fungeren

Alles was zoals het hoorde tot het moment
dat ik met mijn andere hand een boek
uit mijn tas pakte en begon te lezen


Het schokeffect van dit gedicht ligt niet meteen in de rauwe, bal- dadige taal die gehanteerd wordt, maar veeleer in de onbeslistheid die het suggereert. Wat lijkt zoals het hoort, wordt door de ik-figuur duidelijk ervaren als storend gedrag, terwijl hij zijn eigen afwijkende gedrag als normaal beschouwt. Tegelijkertijd is de laatste strofe weer dubbelzinnig: het lezen van een boek wordt afwijkend gedrag, maar kan net zogoed gezien worden als het verdwijnen naar een plek waar niets is zoals het hoort te zijn. De fundamentele dubbelzinnigheid van dit gedicht en de omkeringen die erin plaatsvinden, zijn symp- tomatisch voor Dolhuis.

De bundel opent onder het kopje ‘Natura Naturata’, in een vers ver- taald als ‘de genatuurde natuur’, met een wat langer citaat uit de Ethica van Spinoza: ‘De meesten die over de aandoeningen en de levenswijze van de mensen hebben geschreven, schijnen niet over natuurlijke dingen, die de gewone wetten van de natuur volgen, maar over dingen die buiten de natuur staan, te handelen. Ja, zij schijnen de mens in de natuur te beschouwen als een zelfstandige staat binnen een andere staat. Immers, zij nemen aan dat de mens de orde van de natuur eerder verstoort dan volgt, dat hij volstrekte macht heeft over zijn handelingen en dat hij door niets anders dan door zichzelf wordt bepaald.’

De bundel telt vijf afdelingen: ‘Ontkenning’, ‘Protest’, ‘Onderhande- len & vechten’, ‘Depressie’ en ‘Aanvaarding’. Zo achter elkaar gezet lijken deze vijf afdelingen op de logisch opeenvolgende stadia van een verwerkings- of rouwproces. De aanvaarding en erkenning van een ongewenste waarheid lijkt de rode draad in deze bundel. Tegelij- kertijd geeft de bundel verschillende aanwijzingen om deze vijf afde- lingen te beschouwen als mogelijke houdingen tegenover de stelling van Spinoza, die heel goed gelijktijdig kunnen worden aangenomen.

Wat Spinoza over de beschouwers van de menselijke levenswijze beweert, leidt voor de dichtende ik in deze bundel allereerst tot ont- kenning, retorische vragen en angst: ‘Vorm aan je leven geven een cirkelredenering? / Een onbehouwen vuist, het tijdsgewricht? / De genatureerde natuur, insomnia’. De mens als zelfstandig, onafhanke- lijk en maakbaar individu blijkt niet te bestaan? In deze reeks gaat de dichter ook in discussie met poëziecritici en hij verzet zich tegen de stelling dat je bent wat er over je gezegd wordt.

In de tweede afdeling, ‘Protest’, verzamelt Hirsch onverbloemde en hilarische gedichten waarin de politieke schijnheiligheid, tegen- strijdige belangen van publieke figuren en (over)geseksualiseerde media genadeloos ontmaskerd worden: ‘Ik ben trots op ons tolerante en o zo vergevingsgezinde landje / Und wo ist mein Fahrrad?’ Met die laatste zin verwijst hij naar een grapje dat de hedendaagse vij- andige gevoelens tegenover Duitsers thematiseert: terugtrekkende Duitse troepen namen nogal wat fietsen in beslag om hun aftocht te versnellen.

De afdeling ‘Onderhandelen & vechten’ thematiseert de verhouding van de dichtende ik met de wereld van het kapitaal die vervreemd is van de echte wereld. Ook in deze gedichten duiken voortdurend twee kanten van dezelfde medaille op. In gedicht ‘Nr. 18’ heet het zowel: ‘Onthoud dat het niet aan u ligt // Het is de maatschappij die zegt / dat u goed kan zingen, dik bent of een man van naam’ als in de afsluitende verzen: ‘Onthoud dat het nooit aan u ligt / dat u een hypo- theek met woekerrente afsluit / De kleine lettertjes in het contract niet leest’.

In de afdeling ‘Depressie’ is de dood in verschillende vormen alom- tegenwoordig. Opmerkelijk is toch wel de vergelijking die gemaakt wordt tussen de dood van Aldous Huxley en die van JFK: ‘Aldous Huxley is nooit gestorven / Hij stierf op dezelfde dag dat JFK / op spectaculaire wijze / van het leven werd beroofd’. In deze multimedi- ale wereld kent iedereen de beelden van de moord op JFK, waardoor het lijkt alsof Huxley, ‘Gewoon de dood die kwam en nam’, nooit echt gestorven is. De depressie schuilt natuurlijk in het voorgoed afscheid nemen van geliefden, maar ook in het besef dat het onderscheid tussen echt en niet-echt lijkt te verdwijnen. Een begrafenistafereel wordt dan een film vol gespeeld verdriet: ‘Alles werd achterstevoren afgespeeld / De ondertiteling ontbrak // We mimeden dat de situatie ons boven het hoofd groeide / Dat we pijn in onze harten’.

In de laatste afdeling, ‘Aanvaarding’, heet het: ‘Ik heb alles uit mijn handen laten vallen en op zijn plek / geschoven. / Waar het nu staat en bezongen wordt / is de lente deze keer meer dan lente. Echter’ (‘Nr. 34’) De dubbelzinnigheid van de aanvaarding blijft in deze verzen overeind: ‘echter’ heeft de betekenis van meer-echt, maar ook van nochtans. Daarom besluit de bundel met een paradox die binnen de bundel de logica zelve is: ‘Zie ginds staan de dichters tot hun enkels in het water / De dromers // Sla de poëzie eruit totdat ze op hun knieën / in de branding knielen en bidden / De schapen // Vergeet niet dat alles poëzie is vandaag de dag / Dat alle poëzie vandaag de dag ver- geten wordt.
Met Dolhuis heeft Lucas Hirsch een bijzonder fascinerende derde bundel afgeleverd.            

[Patrick Peeters]

De Arbeiderspers Utrecht, 2012, 66 p., € 16,95. ISBN 9789029586139 Distributie: WPG Uitgevers